De Ontdekking van Moskou

De Ontdekking van Moskou is de titel van een roman waar Harry Mulisch circa twintig jaar aan gewerkt heeft, maar die uiteindelijk nooit gepubliceerd is. Een kort fragment uit het verhaal is uitgegroeit tot de bekende roman De Aanslag. Delen van de derde versie zijn gebruikt voor novelles Paralipomena Orphica en De pupil. Volgens Mulisch heeft hij aan zes versies gewerkt. Volgens Marita Mathijsen moeten dit er veel meer zijn geweest. Volgens haar zijn er in zijn nalatenschap twaalf versies te vinden als alle drukproeven, typoscripten en manuscripten worden meegeteld. Van de zesde versie van Mulisch zijn fragmenten uit twee 'versies', 6A en 6B, bekend. Van alle versies zijn er verschillende fragmenten gepubliceerd voordat in 2015 de derde versie postuum werd gepubliceerd in De Ontdekking van Moskou. Het betreft hier voornamelijk zeldzame of zeer zeldzame publicaties. Ik heb de volgende gevonden: In Beroepsgeheim 4: Gesprekken met schrijvers van Willem M. Roggeman uit 1983, staat op pagina's 117-134 een interview met Harry Mulisch, waarin (op pagina's 130-132) ook gesproken over de roman. Hierin wordt genoemd dat Mulisch het verhaal omschreef met: "Een man in Italië schrijft over een man in Moskou, die schrijft over een expeditie naar de Russische hoofdstad in de vijftiende eeuw, terwijl deze scribenten zijn voorzien van dapper meeschrijvende vrienden." Mulisch zegt in het interview dat de eerdere versies van de roman te ingewikkeld waren en dat hij nu werkt aan een eenvoudigere versie. In de eerste versies waren er zes schrijvers. Mulisch zegt: "Je had die man in de vijftiende eeuw, die die expeditie naar Moskou schrijft. Dan had je een man die in Moskou zit te schrijven. Dan had je een man, die in Italië zit te schrijven. Die is dood. En die zijn manuscript was weer voorzien van losse opmerkingen van een vriend, en die is ook dood. Daar werden weer door 'mij' glossen bij geschreven en tenslotte heb je echt mij, die het hele geval heeft geschreven." Mulisch zegt verder ook nog dat hij van de eerdere versies al 300/400 pagina's tekst had geschreven.

De 'Korte oriëntatie', zoals weergegeven in Maatstaf jaargang 45 nummer 6, pagina's 43 en 44, die komt uit Harry Mulisch, De oer-aanslag, verschenen in 1995, en die Mulisch in 1994 schreef eindigt met de zin: "Ik vrees dat er nog een zevende en laatste versie ligt te wachten."

In het artikel Oorlog met de tijd. Harry Mulisch' worsteling met het oerboek van Marita Mathijsen geeft zij een analyse van de verschillende versies. (Ik kreeg dit op 9 maart 2011 in mijn bezit.)

Marita Mathijsen schreef in 2010 dat Mulisch haar al eens de zes versies had laten zien en dat die naar zijn dood wel uitgebracht mochten worden.

Ik zal hieronder de verschillende versies beschrijven en begin daarbij met versie 2. Allereerst omdat dit de eerste versie is die ik onder ogen heb gekregen. Daarnaast is deze versie ook ruim twee keer zo lang als beide andere versies (1 en 6A), die ongeveer even lang zijn. Het is, zo vind ik, literair gezien ook de meest interessante versie. Wellicht ook omdat deze versie door Mulisch gepubliceerd is in een tijdschrift, terwijl de twee andere teksten in eerste instantie alleen in een dummy zijn verschenen. (Pas later zijn deze teksten opgenomen in de aflevering "Oerboek" van het literaire tijdschrijft "Maatstaf".) Daarna zal ik versie 1 behandelen, die nog het dichts staat bij versie 2. Vervolgens ga ik in op versie 3, de langst gepubliceerde versie, waar de tekst van versie 2 ingebed is. Daarna behandel ik versie 6A en tenslotte zal ik nog watopmerkingen plaatsen over versie 6B.

De Tijd Zelf

Op 29 oktober 2011 werd postuum de novelle De Tijd Zelf gepresenteerd. (verslag NOS. Ik kocht het op 5 november 2011.) In dit boek is ook de essay De onvoltooide van Marita Mathijsen opgenomen waarin zijn ook spreekt over De ontdekking van Moskou. Ze schrijft dat hij zeven maal aan dit boek is begonnen (blz 37). (Zie ook: Uit het Laboratorium Harry K. Mulisch.) Begin 1986 had Mulisch het idee om het verhaal als onderwerp van het tweede deel (van drie) op te nemen in een autobiografische reisroman met de titel Het literaire offer, maar in latere versies van het verhaal (uiteindelijk omgedoopt in De Tijd Zelf) komt hier niets van terug.

Logboek: 1991-1992

In 2012 werd postuum Logboek: 1991-1992 gepubliceerd waarin Mulisch een dagboek bijhield tijdens het schrijven van De Ontdekking van de Hemel. Op donderdag 24 januari 1991 (pagina 33 en 34) realiseerd hij zich dat het schrijven van De Ontdekking van de Hemel op analoge plaats stokt als De Ontdekking van Moskou, namelijk bij waar het om begonnen was. Bij de eerste is dat de geboorte van het kind en bij de tweede het vertrek van de expeditie naar Moskou. Hij geeft ook twee redenen waarom De ontdekking van Moskou nooit wat geworden is. De eerste is dat het ontbrak aan goede karakters. Het tweede is dat het slecht een enkel idee gebaseerd was: "De cusaanse ineenvloeien van de vijftiende en de twintigste eeuw". Cusaans is hierin een verwijzing naar de theoloog en filosoof Nicolaas van Cusa. Hij ontwikkelde het begrip 'coincidentia oppositorum', het overeenkomen van tegenstelde zaken, maar Mulisch hier waarschijnlijk op doelt.

Begin versie 2

Hieronder geef ik een analyse van het begin van versie 2, zoals die is weergegeven in Randstad 5. Per pagina staan er 36 regels. De weergave van versie 2 in Maatstaf heeft 42 regels per pagina die ongeveer 20% meer tekst bevatten. Het enige verschil wat ik tot nu toe heb weten te ontdekken is dat in Randstad 5 "elektrisch" staat en in "electrisch". Dus het lijkt er op alsof de weergave in Maatstaf aangepast is op de dan geldende voorkeurspelling.

Korte samenvatting

Hieronder een korte samenvatting van de paragrafgen.

Paragraaf 1 (23 regels)

In deze paragraaf kijkt de ik-persoon door het raam van zijn werkkamer naar buiten, net nadat hij een ruzie heeft gehad. De ik-persoon concludeerd dat hij op dat moment onbewust de keuze heeft gemaakt om te vertrekken, nadat in hem een gevoel van vrijheid geboren is.

Paragraaf 2 (4 regels)

Deze paragraaf bestaat uit een eindelijke zin, die in de ik-persoon begint, maar zonder punt eindigt met de woorden "waar hij". Dat de zin zo abrubt eindigd, is, Mulisch kennende, waarschijnlijk geen fout.

Er wordt ook gesproken over een "deze bevroren stad" wat zou kunnen duiden dat de ik-persoon in Moskou is. Er wordt ook gesproken over een woordenstroom, maar het is onduidelijk waar dat op duidt.

Witregel

Paragraaf 3 (3 regels)

In deze paragraaf denkt de hij-persoon terug aan zijn eerste ontmoeting met "de bisschop" op een maandag, waarmee voor hem alles begon. De hij-persoon is ook in de bevroren stad. Waarschijnlijk is de hij-persoon een andere persoon dan de ik-persoon.

Witregel

Paragraaf 4 (22 regels)

Deze paragraaf begint met de getallen 96, 60 en 96, onder elkaar geschreven, gecentreerd op een afzonderlijke regel. Het zijn de maten van Verena, de echtgenoot van de ik-persoon. De ik-persoon verteld van een foto die voor hem staat, dat deze in Griekeland bij een rotseiland is gemaakt.

Paragraaf 5 (24 regels)

Hierin schrijft de ik-persoon dat zijn vrouw thuiskomt met een man, Kareltje, die haar wil helpen om een mannequin te worden. De ik-persoon is hier tegen en het is aanleiding tot vele ruzies. De ruzie genoemd in paragraaf 1 is er hier waarschijnlijk een van. De ik-persoon heeft het gevoel dat hij zijn vrouw kwijt raakt, wanneer zijn als mannequin publiekelijk eigendom wordt.

De ik-persoon noemt hoe Kareltje zijn "Timaios" uit de boekkast haalt en kort bekijkt. Waarschijnlijk wordt hier de Timaeus van Plato bedoeld, waarin Plato zijn natuurfilosofie uiteenzet.

Witregel

Paragraaf 6 (21 regels)

De ik-persoon vraagt zich af waarom de bisschop alleen hem aankeek tijdens de toespraak. Dwaalt af naar 'voorbeeld' van twee monikken in de refter die naar elkaar 'kijken', met daarin een tussenzin met een hij-persoon die het gesprokene niet verstaat, als betrof het een gast uit een ander land. De paragraaf eindigt met een aantal 'filosofische' opmerkingen met daarin ook de zinssnede "1 elektrisch varken".

Paragraaf 7 (2 regels)

De ik-persoon vraag zich af of hij ooit in het klooster geweest is. Het is niet duidelijk om welk klooster het hier gaat. Deze laatste twee paragrafen zijn moeilijk te plaatsen. Is de ik-persoon dezelfde als de hij-persoon waarin paragraaf 3 gesproken wordt. Netzo als paragraaf 2 eindigt deze paragraaf niet met een punt, maar met een liggend streepje.

Witregel

Paragraaf 8 (6 regels)

Sluit aan bij paragraaf 5. De ik-persoon laat zich door zijn vrouw afzetten bij een klooster. Het is een paar dagen voordat ze uit elkaar gaan.

Paragraaf 9 (8 regels)

De ik-persoon nuttigt een maaltijd met de monniken en blijft achter wanneer de monniken meteen na de maaltijd vertrekken.

Witregel

Paragraaf 10 (16 regels)

Vervolg op paragraaf 7. De ik-persoon denkt terug aan de eerste ontmoeting met de bisschop in de abdij de Prémonstratensers. (Dit is een orde die in 1121 gesticht werd door Norbertus in Prémontré, een plaatsje in het noorden van Frankrijk.) De ik-persoon stond voor de bisschop met drie andere mannen (van de expeditie naar ik aanneem). De zon scheen en het was een warme dag. De ik-persoon ziet de wereld buiten de abdij via een openstaand onderraam. Een soort telescopisch uitzicht. Het beeld door het raam doet hem ook denken aan het doek 'Johannes op Pathmos' van Jheronimus Bosch in Berlijn. Het woord "Jheronimus" komt niet in de tekst voor. Het bevindt zich pas vanaf 1907 in Berlijn.

Paragraaf 11 (15 regels)

Begint met vrijwel dezelfde zin als paragraaf 6, de vraag waarom de bisschop hem alleen aankeek. De ik-persoon zegt dat hij eergisternacht halfdood aangekomen is in deze bevroren stad. De tekst bevat ook een verwijzing naar de Alpen. Eindigt "filosofisch" over aankijken.

Witregel

Paragraaf 12 (14 regels)

De ik-persoon beschrijft de laatste twee dagen. Eergisternacht was hij halfdood aangekomen. Buiten vriest het 25 graden. Hij zit in een hotel.

Paragraaf 13 (6 regels)

De ik-persoon beschrijft hoe het buiten sneeuwt.

Witregel

Paragraaf 14 (63 regels)

De ik-persoon beschrijft (nog steeds vanuit het hotel) de laatste nacht met zijn vrouw Verena en de discussie/ruzie die ze voerden. De discussie gaat over de opvatting van schoonheid. De paragraaf bestaat grotendeels uit een dialoog tussen de ik-persoon en zijn vrouwe.

Witregel

Paragraaf 15 (29 regels)

De ik-persoon spreekt zijn irritatie uit over de ruzies. De paragraaf bestaat grotendeels uit een eindeloze afscheids dialoog aan de telefoon.

Witregel

Paragraaf 16 (27 regels)

Deze paragraaf is een voortzetting van de dialoog die in paragraaf 14 begonnen is. Deze paragraaf' eindigt met het woord vrijheid en lijkt hierbij dus naadloos aan te sluiten bij paragraaf 1. De paragraaf bevat de opmerkelijke zin "De geest van een man is niet van zijn vrouw, maar het lichaam van een vrouw wel van haar man." De ik-persoont etalleerd zijn intiemste gevoelens en ideeën als schrijver en verdiend daar zijn brood mee.

Witregel

Paragraaf 17 (2 regels)

Bestaat uit de zin: "De bijlslag door de wereld: man/vrouw; dag/nacht"; toekomst/verleden; leven/dood."

Witregel

Paragraaf 18 (23 regels)

Geschreven vanuit de hij-persoon! Grijpt weer terug op de toespraak van de bisschop en sluit in die zin dus aan bij paragraaf 11, die echter vanuit de ik-persoon geschreven is. De hij-persoon probeerd zich te herinneren wat de bisschop gezegd heeft en probeerd te achterhalen wat er van hem verwacht wordt. De paragraaf eindigt met een zin tussen haakjes, waarin gezegd wordt dat de hij-persoon over een andere expeditie zal vertellen dan die zij gemaakt hebben. Met daarbij de toevoeging "daarover later".

Paragraaf 19 (6 regels)

Opnieuw in de hij-persoon geschreven. Eindigt midden in de zin die eindigt met de woorden "dat zij".

Witregel

Paragraaf 20 (16 regels)

De ik-persoon beschrijft hoe hij enkele weken na de laatste ruzie (paragraaf 16) de beslissing neemt om het manuscript waaraan hij op dat moment werkte te vernietegen en achter "Die Moskou-geschiedenis" aan te gaan.

Paragraaf 21 (20 regels)

De ik-persoon beschrijft hoe de Moskou-affaire om onverklaarbare reden in hem opduikt en betoogd daarbij dat schrijvers vaak schrijven of dingen die op dat moment ook in de werkelijkheid aan het verschijnen zijn. Hij denkt dus dat er hem zich dingen aandringen omdat ze zich ook aandringen in de werkelijkheid.

Paragraaf 22 (9 regels)

De ik-persoon herinnerd zich iets uit zijn jongsjaren over de onontdekte stad Moskou.

Witregel

Paragraaf 23 (17 regels)

De ik-persoon doorzoekt bibliotheken en vermeld dat hij Verena niet meer gezien heeft en gehoord heeft dat zij weer bij haar vader is ingetrokken.

Paragraaf 24 (9 regels)

Deze paragraaf begint met de woorden "Ik vlucht" en eindigt met het woord "Vrijheid". Daar tussen wordt met vrij beelden taal een ongeluk beschreven met daarin de zinssnede "(een auto) waaruit een roerloos mannenlichaam van een versteende vrouw wordt getild."

Paragraaf 25 (13 regels)

De ik-persoon beschrijft dat hij twee dagen later naar het Oost Europa Instituut gaat. Het is die dag de eerste maandag van de maand en hij berekent dat het precies een maand geleden is dat hij en zijn vrouw hun laatste ruzie hadden. Koopt een in wit leer gebonden schrift.

Paragraaf 26 (22 regels)

De ik-persoon beschrijft een ontmoeting met een professor die hij wel kent omdat die in zijn vrije tijd detectieve romans schrijft. (Dit zou eventueel een verwijzing kunnen zijn naar Karel van het Reve die hoogleraar Slavische letterkunde was en ook een paar verhalen heeft geschreven. Van het Reve is een paar jaar wetenschappelijk assistent aan het Russische instituut, de voorloper van het Oost Europa Instituut, geweest. Mulisch laat wel vaker bekende personen figureren in zijn boeken.) De professoren concluderen dat zijn idee "een mystificatie is met die expeditie naar Moskou".

Paragraaf 27 (4 regels)

De ik-persoon komt tot de conclusie dat hij er zelf op uit zal moeten gaan. De paragraaf eindigt met de zin: "Kom ik in dat uur te weten, dat ik zal vertrekken?"

Witregel

Paragraaf 28 (14 regels)

Deze paragraaf begint met "...dat wij" en lijkt een voortzetting te zijn van paragraaf 19, zij het dat hij weer in de ik-persoon is geschreven. De ik-persoon heeft de opdracht gekregen van de bisschop om Moskou te ontdekken. De ik-persoon zegt daarbij dat hij niet weet of Moskou bestaat en ook dat hij niet weet of de bisschop weet of Moskou bestaat of niet. De ik-persoon spreekt ook over de personen Sebner en Audifax. Het lijkt erop alsof de ik-persoon Moskou nog niet gevonden heeft. (Mulisch gebruikt in deze paragraaf het heden te dage ongebruiktelijk "&c" als afkorting van "et cetera".)

In deze paragraaf komt ook een zin ("Het was een van mijn oudste dingen, als jongen was ik gefascineerd door dat Moskou-verhaal.") voor die gezien de eerste versie mogelijk niet in deze paragraaf thuis hoort omdat hij onderdeel uit maakt van de ander verhaallijn.

Paragraaf 29 (12 regels)

De ik-persoon vraagt zich af of de bisschop de woorden "Hels Jeruzalem" als beschrijving voor Moskou gebruikt heeft. De ik-persoon maakt melding van een "officier te paard" en schrijft "ofschoon allen nu dood zijn". Dit wekt de indruk dat het in het verleden gebeurd is.

Paragraaf 30 (8 regels)

De ik-persoon beschrijft dat zij (een dominikaan, een fransiskaan, Sebner en hij) nog een tijdje verdwaasd achter bleven nadat de bisschop gesproken had.

Witregel

Paragraaf 31 (13 regels)

De ik-persoon is in een hotel (van negen verdiepingen en met lift). Hij schrijft op briefpapier van het hotel waarvan het adres eindigt op "MOCKBA", Moskou geschreven in cyrillische schrift. Deze paragraaf lijkt in die zin aan te sluiten op paragraaf 13.

Paragraaf 32 (10 regels)

De ik-persoon beschrijft hoe de ogen van 'de man aan de muur' (een portret foto) hem 'volgen'. Ook neemt hij een bad.

Paragraaf 33 (4 regels)

De ik-persoon heeft het gevoel dat hij nu pas, al schrijvend, op reis is gegaan.

Witregel

Paragraaf 34 (42 regels)

Deze paragraaf volgt direkt op paragraaf 27. De ik-persoon ga na een bezoek aan het Oost Europa Instituut een journalistencafé. Het betreft hier waarschijnlijk café Scheltema aan de Nieuwezijds Voorburgwal 242 (streetview) dat ook werd bezocht door bekende schrijvers. Op de stoep leest hij een met krijt geschreven tekst waarvan alleen het woord "begrafenis" nog valt te herkennen. Er komt een militaire kolonne langs. Hij verteld de journalisten dat hij achter de Moskou-geschiedenis gaat met als bedoeling dat zijn vrouw Verena er van zal horen. De journalisten herinneren hem aan de miss-verkiezing op de zaterdag er op waar zij aan mee zal doen. De paragraaf eindigt met de mededeling van de ik-persoon dat hij zich plotseling ziek voelt.

Witregel

Paragraaf 35 (18 regels)

De ik-persoon zegt dat hij op maandagmiddag plotseling last kreeg van kiespijn. Tarcisius, een van de andere drie, bezoekt hem. Sebner heeft zich opgeworden als leider. Er zijn in de beschrijving veel middeleeuwse elementen. Deze paragraaf sluit aan bij paragraaf 30.

Paragraaf 36 (15 regels)

Tarcisius is de fransiscaan. De maandagmiddag lijkt een week te zijn na de maandag waarop ze bij de bisschop waren geweest. Tarciscus spreekt van onrusten.

Witregel

Paragraaf 37 (8 regels)

De paragraaf begint met de woorden: "De volgende dag, dinsdag", maar lijkt aan te sluiten bij paragraaf 34. Deze paragraaf is in de hij-persoon geschreven. De hij-persoon laat zich medisch onderzoeken.

Paragraaf 38 (53 regels)

De paragraaf is een vervolg op de vorige en bevat een dialoog tussen de hij-persoon en een dokter, die hem kerngezond verklaard. "U is toch de bekende schrijver?" vraag de dokter aan het eind van het gesprek. De hij-persoon zegt dat hij de aanstaande zondag vertrekt.

In deze paragraaf komt de uitdrukking "hete stallucht" voor, die wat uit de toon valt met de rest van de paragraaf. Na lezing van het overeenkomstige stuk uit de eerste versie, zou geconcludeerd kunnen worden dat deze uitdrukking hier niet thuis hoort en abusievelijk is blijven staan.

Witregel

Paragraaf 39 (48 regels)

De hij-persoon laat zijn kies trekken op een middeleeuwse markt. Deze paragraaf lijkt aan te sluiten op paragraaf 37. Zie een schilder die bezig is met "Opwekking van Lazerus". ("Meester van de Tiburtijnse Sibylle, Instituto Nacional de Bellas Artes" staat er tussen haakjes bij, maar of dat inderdaad de schilder is, kan ik niet achterhalen.) De paragraaf eindigt niet met een punt maar midden in een zin met een komma.

Witregel

Paragraaf 40 (78 regels)

De ik-persoon ontmoet de vader van Verena die hem aanspreekt over een krantenartikel over zijn dochter. Deze paragraaf lijkt te volgen op paragraaf 38 en bestaat grotendeels uit een dialoog tussen de ik-persoon en schoonvader. De achternaam van Kareltje is Lenders. Aan het eind staan de woorden "Hij doet een paar radeloze passen door het bos", die ik niet helemaal kan plaatsen omdat eerder in de dialoog staat de ik-persoon hem meeneemt naar "de verlaten, windstille hall van de bioskoop" waar ze voor stonden

Analyse

Het verhaal blijkt bij nadere beschouwing te bestaan uit twee verhaallijnen die afgewisseld worden. Beide zijn in de ik-persoon geschreven, maar bevatten ook paragrafen die in de hij-persoon zijn geschreven. De verhaallijnen hebben een aantal overeenkomsten. Beide hoofdpersonen zitten in een koude stad en kijken terug op de gebeurtenissen die vooraf gaan. Beiden stellen ze zich vragen over het hoe en waarom ze nu in deze stad zitten en proberen daarover iets op papier te zetten. Er zijn ook een aantal overeenkomsten in wat hen overkomt. Zo krijgen ze beide kiespijn en laten zich daarvoor behandelen. De ene verhaallijn lijkt in een ver verleden te spelen, de andere in een recentelijk verleden.

De verhaallijn van een recentelijk verleden (die de meeste aandacht krijgt), komt naar voren in de paragrafen: 1, 2, 4, 5, 8, 9, 12-16, 20-27, 31-34, 37, 38 en 40. De andere verhaallijn in de paragrafen: 3, 6, 10, 11, 18, 19, 28-30, 35, 36 en 39. Van de paragrafen 7 en 17 is het moeilijk om te duiden waar ze bij horen. Het einde van paragraaf 6 is ook een beetje vreemd, omdat hier gesproken wordt van een elektrisch varken terwijl het speelt in een ver verleden. Er wordt in deze paragraaf gesproken over twee mannen die naar elkaar kijken en die daarbij één worden. Mogelijk dat dit een verwijzing is naar de structuur van de twee verhalenlijnen die één worden, iets wat Mulisch zelf ook suggereerd in de korte oriëntatie in Maatstaf. De chronologische volgorde van de paragrafen is volgens mij: 6, 10, 11, 18, 19, 28-30, 35, 36, 39, 3, 4, 5, 8, 9, 14-16, 1, 20-27, 34, 37, 38, 40, 2, 12, 13, 31-33. Opmerkelijk is dat in paragraaf 33 de ik-persoon zegt dat hij het gevoel heeft dat hij nu pas, al schrijvend, op reis is gegaan.

Begin versie 1

Als je de tweede versie beschouwd als de magische versie, dan zou je deze eerste versie als de synthetische versie kunnen bestempelen. Deze versie moet op de lezer als erg verwarrend overkomen, zelfs als de lezer de clue uit de inleiding heeft begrepen, want de tekst springt steeds naadloos (soms midden in een zin) van de ene verhaallijn naar de andere verhaallijn. Je bent dus steeds in verwarring over in welke tijd het verhaal nu speelt. Dan weer wordt er gesproken van paarden en dan weer van straalvliegtuigen die over vliegen.

In de inleiding schrijft Mulisch over het verhaal (in het boek The Arts van H.W. van Loon) dat in 1492 een Oostenrijkse bisschop, te vergeefs, een expeditie zou hebben uitgerust om Moskou te ontdekken en hoe hij zelf onderzoek heeft gedaan naar de achtergrond van dit verhaal, maar er niets over heeft gevonden. Deze beide 'mislukkingen' zijn de grondslag van het verhaal.

Hieronder geeft ik (met aanduiding van regel nummers) hoe de teksten uit deze versie overeenkomen met die van de eerste versie. Dit lijkt misschien wat vreemd, omdat de tweede versie gebaseerd is op de eerste en je zou verwachten dat ik juist bij de tweede versie zou moeten aangeven hoe deze ontleend is van de eerste versie. Ik denk echter dat Mulisch al heel duidelijk de twee verhalenlijnen in gedachten had toen hij deze synthetische versie van het verhaal schreef.

De tekst

De inleiding beslaat regel 1 tot en met 8 van de eerste pagina. Op regel 9 begint de tekst in het heden om op regel 15 (midden in een zin) over te gaan op de verhaallijn uit het verleden uit paragraaf 6 van de tweede versie.

Op regel 34 (de een na laatste regel van deze pagina) gaat de tekst verder met paragraaf 7. (Hierbij lijkt deze paragraaf dus te horen bij de verhaallijn uit het verleden.)

Op regel 2 van de tweede pagina gaat de tekst verder met de tekst uit paragraaf 10. Op regel 10 loopt de tekst verder met die van paragraaf 11.

Op regel 23 gaat de tekst verder met de derde zin uit paragraaf 18. De tekst tussenhaakjes die begint op regel 30 is anders dan die in de tweede versie. Dit heeft er zeker mee te maken dat die paragraaf in de hij-persoon is geschreven en deze versie geheel in de ik-persoon. Op regel 35 wordt geschreven over het verbranden van een manuscript dat niet in de tweede versie te vinden is. Op regel 39 gaat de tekst verder met die van paragraaf 19

Op regel 3 van de derde pagina begint een zin over de "moskou-affaire" die ontleent lijkt te zijn aan paragraaf 22 die behoort tot de verhaallijn uit het heden. Maar het zou ook ontleent kunnen zijn aan een zin uit paragraaf 28 die behoort tot de verhaallijn uit het verleden, die zegt: "Het was een van mijn oudste dingen, als jongen was ik gefascineerd door dat Moskou-verhaal." Het is ook goed mogelijk dat deze zin daar onbedoelt in blijven is staan. Op regel 9 van de derde pagina wordt gesproken over de professoren van het Oost Europa Instituut. Wat daar geschreven wordt, is een samenvatting van wat er in paragraaf 26 beschreven wordt. Op regel 21 staat dat een van de professoren een broer is van Wigbertus, de gelijk staat aan Sebner, de zelfbenoemde leider van de expeditie uit de verhaallijn uit het verleden. Iets wat the synthese dus compleet lijkt te maken. Op de volgende regel gaat het verhaal verder met de tweede helft van paragraaf 28. (Hier wordt overigens "etc." gebruikt voor het "&c" in de tweede versie.) Op regel 29 loopt de tekst verder met paragraaf 29 en op regel 38 verder met paragraaf 30 (die nog steeds tot de verhaallijn uit het verleden hoort). Daar staat dat het drietal bestond uit twee dominikanen en een franciskaan. Met daarna, op regel 41 staat dat de ik-persoon heel hoog in de lucht het geluid hoorde van een overvliegend straalvliegtuig. Vervolgens gaat de tekst weer verder met die van paragraaf 30.

Op regel 4 van de vierde pagina begint een stuk dat niet terug gevonden kan worden in de tweede versie en dat spreekt over de voorbereidingen die ze troffen voor de expeditie. Dit lijkt duidelijk in het verleden te spelen. Echter in regel 14 lijkt het verhaal weer te springen naar de verhaallijn uit het heden in de tweede versie. Op regel 18 wordt gesproken over een visum wat voorkomt in paragraag 38 (die behoort tot de verhaallijn uit het heden). Op die regel begint ook de zin waarmee paragraaf 37 begint. Op regel 23 staat weer een tekst die komt uit paragraaf 38. Op regel 32 staat hoort de ik-persoon het geluid van dieren in een stal, wat lijkt te horen bij de verhaallijn uit het verleden. Deze zin komt niet voor in paragraaf 38. Op regel 34 wordt gesproken over "hete stallucht". Dit komt wel voor in paragraaf 38 en je zou kunnen concluderen dat dit er per ongeluk in is blijven staan. De tekst op de eerst tien regels van de vijfde pagina wijken af van paragraaf 38. Op regel 13 staat ook weer een zin over koeien en kippen die lijkt te horen bij de verhaallijn uit het verleden en die niet in paragraaf 38 voorkomt. Regels 16 tot en met 19 komen ook niet in paragraaf 38 voor te komen maar lijken te behoren tot de verhaallijn uit het heden. Daarna volgt de tekst die weer van paragraaf 38. Op regel 26 wordt gezegd dat de expeditie gefinancieerd wordt door de bisschop, wat dus weer bij de verhaallijn uit het verleden lijkt te horen. De tekst vanaf regel 30 wijkt weer af. Op regel 33 is er spraken van dat er een cardiogram wordt afgenomen in een leprozenhuis. Opnieuw een vermenging van heden en verleden. Het maken van een cardiogram wordt genoemd aan het begin van paragraaf 38.

De zesde pagina begint met een tekst tussen vierkante haken die begint met de cursieve tekst "In de kantlijn, met een andere hand". Stond dit ook zo in de dummy vraag ik me af. Op regel 13 volgt de tekst die van paragraaf 35 die behoort bij de verhaallijn uit het verleden. Op regel 16 gaat de tekst verder met die van paragraaf 39. Op regel 17 wordt gesproken over een taxi en op regel 22 over trams, want natuurlijk niet past bij de verhaallijn uit het verleden. In de tekst ontbreekt de tussen haakjes geplaatste tekst over het schilderij. Wel staan er de opmerkingen "naar de laatste Italiaans mode" en "alles heel modern opgevat", wat misschien niet geheel lijkt te passen in de verhaallijn uit het verleden. Echter in versie 6A blijkt dat de ik-persoon uit deze verhaallijn uit Italie komt. In regel 2 van de zevende pagina wordt gesproken over een shantoengpak, wat niet lijkt te kloppen bij de verhaallijn uit het verleden. In regel 6 is er sprake van dat de drie monikken naast elkaar zitten op stalenkrukken in een espressobar.

Op regel 8 begint een nieuwe paragraaf waarvan de tekst los staat van de teksten uit de tweede versie. Hier wordt geschreven dat Audifax zich opgeworpen heeft als leider. Op regel 14 zegt de ik-persoon "later kwamen daar dan ook de moeilijkheden van" waaruit blijkt dat de ik-persoon schrijft over wat voor hem in een verder verleden gebeurt. Dit blijkt overigens ook uit het begin van het verhaal waar gesproken wordt over vorig jaar, toch lijkt het er op dat op het moment dat de ik-persoon dit schrijft, de expeditie (grotendeels) achter de rug is. In paragraaf 35 is het Sebner die de rol van leider op zich neemt. Er wordt daar gesproken van "verderfelijke leider". De rest van de pagina vertoont verwantschap met de tekst uit paragraaf 36.

Op de achtste pagina begint een nieuw paragraaf. Op regel 3 wordt (voor het eerste) de naam Verena vermeld. Dit lijkt er op te duiden dat dit in het heden speelt. Op dezelfde regel wordt ook gesproken over een lumbaalpunktie, iets wat ook genoemd wordt in paragraaf 38. Op regel 18 begint de laatste paragraaf welke midden in een zin, zonder punt, eindigt. De meest logische verklaring hiervoor is dat hier precies de overgang naar de eerste niet bedrukte pagina van de dummy ligt. Op regel 19-20 staat: "een houten ton gevuld met bloederige massa, krioelend van de vliegen en maden." De laatste vermenging van heden en verleden.

Versie 3

De hieronder gegeven analyse is gebaseerd op De Ontdekking van Moskou, eerste druk, oktober 2015, ISBN:9789023496960. Alle verwijzingen naar paragrafen zijn naar de genummerde paragrafen van versie 2.

Pagina 32

Op pagina 32 begint fragment (10), de eerste van een aantal versie van de aankomst in Moskou. De eeste drie zinnen zijn gebaseerd op paragraaf 12 met dit verschil dat de schrijver een dag eerder zijn tekst schrijft en dat het 26 graden vriest in plaats van 25. Hij heeft 14 uur geslapen tegen een etmaal en neemt een bad. Hier stopt de overeenkomst. De tekst komt weer terug in de tweede paragraaf van versie 6A.

Pagina 33

De tekst boven aan pagina 33 uit fragment (10) wordt gebruikt in de derde paragraaf van versie 6A.

Pagina 46

Op pagina 46 begint fragment (14). Deze is gebaseerd op paragraaf 10 van versie 2.

Pagina 48

Op pagina 48 begint fragment (15). Deze is gebaseerd op paragraaf 1 van versie 2. De tekst is in de verleden tijd geplaatst.

Pagina 51

Op pagina 51 begint fragment (16). Deze is gebaseerd op paragraaf 6 van versie 2, beginnend van de tweede zin.

Pagina 52

Op pagina 52 begint fragment (17). Het begin van dit fragment, de eerste helft van de pagina, is gebaseerd op paragraaf 4 van versie 2. Het vervolg heeft iets weg van paragraaf 14. Mulisch lijkt de dialoog echter helemaal herschreven te hebben.

Pagina 53

Onder aan de pagina staat een stuk dat genomen is uit paragraaf 15.

Pagina 72

Op pagina 72 begint fragment (25). Het begin daarvan komt terug in de negende paragraaf van versie 6A.

Pagina 85

Op pagina 85 begint fragment (30). Midden op de pagina staan twee zinnen die komen uit paragraaf 35 uit versie 2.

Pagina 88

Midden op pagina 88, onderdeel van fragment (30), volgt de tekst (na een herhaling van een van de zinnen op vorige pagina) die van paragraaf 35 uit versie 2. Onder aan de pagina volgt de tekst het eerste deel van paragraaf 36, die verder loopt op pagina 89.

Pagina 90

Boven aan pagina 90, het eind van fragment (30), is gebaseerd op het einde van paragraaf 36 van versie 2. Fragment (30) kan dus gezien als een uitwerking van deze twee paragrafen.

Pagina 93

Pagina 93 is de tweede pagina van fragment (31). Vanaf hier volgt het fragment de tekst van paragraaf 39 van versie 2 met een paar toevoegingen.

Pagina 140

Op pagina 140 begint fragment (43), een versie van de aankomst in Moskou, waarmee versie 6A begint.

Pagina 154

Op pagina 154 begint fragment (47). Midden op de pagina de zin die begint met "Ik zag licht", die ook aan het begin van paragraaf 12 van versie 2 staat.

Pagina 159

Pagina 159 is de derde pagina van fragment (48) dat gerelateerd is aan paragraaf 23 van versie 2. Midden op deze pagina worden een aantal naslagwerken genoemd die ook paragraaf 23 genoemd worden. Ook de informatie over de russische jaartelling wordt genoemd.

Pagina 177

Op pagina 177 begint fragment (50) dat handeld over het bezoek aan het Oost-Europa Instituut. Dit wordt ook genoemd in paragraaf 25 van versie 2.

Pagina 205

Pagina 205 is de tweede pagina van fragment (54). Onder aan het eind van deze pagina wordt de met stoepkrijt geschreven tekst weergegeven waarvan ook wordt gesproken in paragraaf 34 van versie 2.

Pagina 206

Onder aan pagina 206 wordt een quote weergegeven over Verena die ook stond in paragraaf 40 van versie 2 gevolgd door een quote met onder elkaar haar maten waarmee paragraaf 4 van die versie begint.

Pagina 207

Net na het midden van pagina 207 staat een tekst over Yvette die komt uit paragraaf 4 van versie 2.

Begin versie 6A

Dit zou ik willen bestempelen als de realistische versie. Deze versie heeft, niet geheel verwonderlijk, de grootste afstand met de andere twee versies. In deze versie lijkt samengesteld te zijn uit de verschillende versies van de eerste dagen in Moskou. De versie beslaat in Maatstaf bijna zeven en halve pagina en valt uiteen in twee delen. Het eerste deel, dat de eerste vier pagina's beslaat, komt overeen met de verhaallijn uit het heden van de tweede versie. De ik-persoon is niet aangekomen in het hotel in Moskou en beschrijft wat over het heden en hoe hij daar gekomen is. Het tweede deel volgt de verhaallijn uit het verleden en de ik-persoon beschrijft recente gebeurtenissen, die plaatsvonden voorafgaand aan alle beschreven gebeurtenissen uit die verhaallijn in de twee andere versies.

De tekst

De tekst begint met vijf regels van het gedicht "Burnt Norton" (Engels Wikipedia artikel) van T.S. Eliot. Ze komen uit het vijfde deel van het gedicht en wel de regels 8 tot en met 12.

In de eerste paragraaf, die begint op regel 9, beschrijft de ik-persoon hoe hij wakker wordt. De kleine wijzer van zijn horloge is afgebroken. De tekst gelijkt op pagina 140 van fragment (43) van versie 3.

Het begin van de tweede paragraaf, die begin op regel 18 lijkt vanaf de tweede zin op het begin van fragment (10) beginnend op pagina 32 van versie 3. En lijkt dus ook op paragraaf 12 uit de tweede versie, met als opmerkelijk verschil dat hier gesproken wordt over gisteravond en in die versie over eergisteravond. De paragraaf eindigt met de opmerking dat de ik-persoon van zichzelf zegt dat hij meer lijkt op iemand die te paard is gekomen, dan als iemand met een vliegtuig, een Iljoeschin.

De derde paragraaf, die begint op regel 27, begint met de opmerking dat het buiten sneeuwt en even later dat de ik-persoon de gordijnen dicht heeft gedaan. Deze feiten worden ook genoemd in de eerste zin van paragraaf 13 uit de tweede versie. Op regel 32 wordt de naam Van Loon genoemd. Op regel 36 is sprake van een zwart folio-cahier. Aan het eind van paragraaf 25 koopt de ik-persoon "een dik, in wit leer gebonden schrift". De rest van de paragraaf komt sterk overeen met paragraaf 31 en met de tekst van fragment (10) van versie 3, boven aan pagina 33.

In de vierde paragraaf, die begint op regel 9 van de tweede bladzijde, lezen we dat de ik-persoon in bad gaat, iets dat ook genoemd wordt aan het eind van paragraaf 32. De aandrang om te gaan schrijven die aan het eind van deze paragraaf besproken wordt, komt ook naar voren in paragraaf 33.

De vijfde paragraaf begint op regel 19. In deze paragraaf legt de ik-persoon uit dat een enkele zin de aanleiding van zijn aanwezigheid in Moskou is. Dit wordt ook genoemd in paragraaf 22 en 26, maar daar weer de ik-persoon niet waar hij het gelezen heeft. Afgezien van dit, heeft deze paragraaf geen overeenkomst met enige paragraaf uit de twee andere versies en zou daar zelfs wat toon betreft niet in passen. De ik-persoon is in de vijftig, net iets jonger dan Mulisch toen hij aan deze versie schreef. Opmerkelijk is dat de ik-persoon dat lijkt te hebben gedaan wat de professoren van het Oost Europa Instituut (in paragraaf 26) de ik-persoon adviseren te doen in de versie van bijna twintig jaar eerder, alsof de ik-persoon gelijk met Mulisch ouder is geworden.

In de paragraaf wordt de schrijver Hendrik Willem van Loon genoemd, die ook genoemd wordt in de inleiding van versie 1. De zin waar het over gaat heeft hij gelezen in De mens en zijn kunst de vertaling van The Arts van Van Loon. De Nederlandse vertaling werd gepubliceerd in 1938. De ik-persoon zegt dat hij de zin dertig jaar geleden heeft toen hij 22 was. Dat betekend dus dat hij na 1916 geboren is en dat het verhaal speelt na 1968.

In de vijfde paragraaf, die begint op regel 6 van de derde pagina, beschrijft de ik-persoon dat hij in bad tot de beslissing gekomen is om het verhaal hoe hij hier geraakt is, oo te schrijven. Uit het begin van de vijfde pagina is duidelijk dat deze tekst is wat hij geschreven heeft.

In de zesde paragraaf, die begint op regel 24 van dezelfde pagina, beschrijft de schrijver dat hij naar beneden gaat. In de zevende paragraaf, die begint op regel 39, beschrijft hij hoe hij gaat eten en een gesprek heeft met de receptionist. Hierin verteld hij dat het verhaal De Oogappel geschreven heeft. Het enige titel in het werk van Mulisch wat hierbij in de buurt komt is De Pupil dat hij publiceerde in 1987. Dit verhaal stond ook in Vijf fabels.

De achste paragraaf begint op regel 34 van de vierde pagina en beschrijft hoe de schrijver begint aan het schrijven van deze tekst. Hij begint met de titel: "De ontdekking van Moskou" en op de volgende pagina lezen we de eerste regel van dit verhaal in cursief gedrukt.

Op regel 6 van de vijfde pagina staat de plaats en datum: Innsbruck, 25 juni. Er staat geen jaartal bij, maar het is duidelijk dat dit in het verleden speelt en dus ergens in de vijftiende eeuw moet zijn.

Op regel 8 begint de negende paragraaf. We lezen hoe de ik-persoon besluit om alles maar op te schrijven, omdat er onrust is en hij vind dat hij in een vreemde tijd leeft. Vanaf de vijfde zin is de tekst gebaseerd op het begin van fragment (25) op pagina 72 van versie 2. Er is ook sprake van een komeet. Volgens de inleiding van de eerste versie speelt het verhaal in 1492. Er is echter in dat jaar geen komeet die in de zomer verscheen. Een jaar eerder in januari zijn er wel twee heldere kometen geweest, C/1490 Y1 en X/1491 B1, waarvan sommige beweren dat die in Stille Oceaan is ingeslagen. De enige heldere komeet die in de vijftiende eeuw rond de gegeven datum verscheen was De Komeet van Halley in het jaar 1456. (bron: 15th Century Comet Orbits) Hiervan gaat het niet bevestigde verhaald dat deze verschijning door Paus Calixtus III geëxcommuniceerd is, wat zou aansluiten bij wat er in deze paragraaf geschreven wordt.

Op regel 21 begint de tiende paragraaf waarin de ik-persoon beschrijft hoe hij een jonge vrouw, genaamd Laura, vanuit Florance achterna is gereist naar Innsbruck en hoe deze getrouwd met een ander en naar Hamburg vertrok.

De elfde paragraaf begint op regel 38. In deze paragraaf blikt de ik-persoon terug op de avond er voor. We lezen dat het toen vrijdag was en kunnen we concluderen dat 25 juni op een zaterdag viel. Als ik (volgens deze berekening) uitreken op welke dag 25 juni 1492 viel op de juliaanse kalender, dan kom ik uit op een maandag. De jaren dat 25 juni in die eeuw op een zaterdag viel, zijn: 1401, 1407, 1412, 1418, 1429, 1435, 1440, 1446, 1457, 1463, 1468, 1474, 1485, 1489, and 1496. Als ik echter de gregoriaanse kalender gebruik, dan valt 25 juni 1492 wel op een zaterdag. Je zou dus kunnen denken dat Mulisch de verkeerde kalender gebruikt heeft. Op de facsimile die afgedrukt staat op bladzijde 104 van Ons Erfdeel, jaargang 50, nummer 3, staat "25. junius anno XIIIIC LVII". Dit kan gelezen worden als het jaartal 1457. (Volgens het bijschrift komt deze pagina uit de eerste versie. Echter de tekst van deze facsimile komt overeen met de tekst van de achtste paragraaf.)

De twaalfde paragraaf begint op regel 8 van de zesde bladzijde. In deze paragraaf verteld de ik-persoon over zijn ontmoeting met Berthold Sebner. Op zevende pagina lezen we dat ik-persoon 22 is. Er staat ook dat Sebner hem een voorstel doet "voor iets heel avontuurlijks" buiten Oostenrijk en dat "een hooggeplaatst personage", maar niet de hertog, de opdrachtgever is.

In de dertiende paragraaf, die begint op regel 33 van dezelfde bladzijde, lezen we hoe de ik-persoon nadenkt over wie de opdrachtgever zou kunnen zijn. Ook meldt hij dat hij de volgende maandag om 12 uur bij de poort naar Wilten moet zijn voor een afspraak. In Wilten is een abdij die behoort tot de order der Prémonstratensers waar we ook over lezen in paragraaf 10 van de tweede versie. Het is dus wel overduidelijk dat de opdrachtgever de bisschop is uit de andere versies.

De veertiende paragraaf begint op regel 3 van de achtste pagina en de dertiende en laatste paragraaf beslaat de regels 10 tot en met 13 van die pagina. In deze paragraaf beschrijft de ik-persoon zijn omgang met een hoer. Hiermee eindigt het verhaal.

Begin versie 6B

Van versie 6B zijn ons tot op heden twee fragmenten bekend. Het eerste fragment betreft de facsimile van de eerste pagina van het typoscript van versie 6A waarop Mulisch correcties heeft aangebracht die hij heeft aangemerkt als versie 6B volgens een opmerking op de pagina. (Deze is te vinden op bladzijde 42 van Ons Erfdeel.) Te zien is dat Mulisch begonnen is met het omzetten van het perspectief van de ik-persoon naar de hij-persoon. Ik schrijf begonnen omdat onder aan de pagina nog een "ik" staat die nog niet gecorrigeerd is. Opmerkelijk is dat de Oer-Aanslag (die ook uit deze versie komt) geschreven is in vanuit de ik-persoon, terwijl de Aanslag geschreven is vanuit de hij-persoon. Mulisch voort hiervoor aan dat de hoofdpersoon zich nooit alle details uit zijn jeugd had kunnen herinneren. Het lijkt erop alsof Mulisch toen begonnen is met het maken van deze omzetting in het typoscript van versie 6A die als basis diende voor versie 6B.

Het tweede fragment van versie 6B betreft de facsimie van de Oer-Aanslag. In dit fragment zijn, afgezien van de ontstoken kies, weinig dingen te vinden die voorkomen in de gepubliceerde fragmenten van andere versies. Er zijn wel twee stukken die aansluiten bij de andere versies. Op bladzijde 107 van het manuscript wordt gesproken over een bezoek aan Mevrouw Cusanus. Dit is niet haar werkelijke naam, maar ze wordt zo genoemd omdat ze een expert is wat betreft Nicolaas Cusanus, een Duits theoloog en filosoof die leefde in de 15e eeuw en die model heeft gestaan voor de bisschop uit het verhaal. Op bladzijde 120 van het manuscript schrijft de ik-persoon hoe hij tot bepaalde inzichten is gekomen terwijl hij het voorgaande schreef. Hij schrijft daar ook hoe hij nu al een etmaal aan het schrijven is, hetgeen mij de indruk wekt dat de ik-persoon is die in Moskou in het hotel zit te schrijven.

Evaluatie

In een interview met Harry Mulisch zegt hij dat er in de eerdere versies van het verhaal vijf schrijvers waren (en zichzelf als schrijver). In geen van bekende fragmenten worden de schrijvers expliciet benoemd. Zelfs hun namen worden niet bekend gemaakt. In alle versie is slechts sprake van twee verhaallijnen. Versie 1 en versie 6A zijn volledig in de ik-persoon geschreven. In versie 2 zijn ook een aantal korte delen in de hij-persoon geschreven. Wie de schrijver van die stukken is, wordt in het midden gelaten. Dit zou of zouden een of meerdere van de andere schrijvers kunnen zijn die Mulisch in het interview noemt. De stijl van deze stukken wijkt echter niet echt af van de overige stukken.

Persoonlijk vind ik de tweede versie de boeienste versie. De eerste versie vind ik te experimenteel. Ik heb nog nooit een ander verhaal gelezen waar een dergelijke synthetische stijl gebruikt wordt. De laatste versie (6A) vind ik te realistisch. Ik kan me haast niet voorstellen dat iemand in de middeleeuwen zo schrijft zoals de schrijver van de verhaallijn uit het verleden.


Gelezen boeken | Thuis pagina